Profiel
| Leeftijd | 21 jaar |
| Club | ShaRK |
| Trainer | Rik Valcke, Wauter Derycke, Stefan Deckx en Anne Feyten |
| Specialiteit | 200m vlinderslag |
Louis Croenen heeft zich het afgelopen jaar meer dan bewezen naar de buitenwereld toe. In de zwemwereld is deze vlinderzwemmer al jaren een vaste waarde in finales op BK’s en andere belangrijke wedstrijden. Zijn opmars begon al van jongs af aan met finales op het EYOF in Tampere en op het EJK in Belgrado. Op 15-jarige leeftijd kreeg hij problemen aan zijn rug, maar dat hield hem niet tegen om verder door te groeien. In 2012 zwom hij zijn eerste Olympische Spelen in Londen, in de estafetteploeg van de 4 x 200 meter vrije slag, hiermee bereikte België een twaalfde plaats. 2014 was het jaar dat hij internationaal doorbrak. In dat jaar zwom hij met Glenn Surgeloose, Emmanuel Vanluchene en Pieter Timmers toptijden op de 4 x 200 meter vrije slag en bemachtigden ze een bronzen medaille op het EK langebaan in Berlijn. Ook werden ze vijfde op het WK kortebaan in Doha.
Met een tijd van 1’55″44 zwom hij zichzelf in mei van dit jaar naar de top en behaalde de vijfde snelste tijd van de wereld, waarmee hij direct ook een ticket naar Rio beet had. Ook haalde hij als eerste Belg na Frederick Deburghgraeve de finale op een individueel nummer op een WK. Dit was het WK in Kazan waar hij uiteindelijk zevende werd op de 200 meter vlinderslag. Wij spraken met hem over de voorbereiding naar de Olympische Spelen in Rio.
Hey Louis! Je hebt vorige Olympische Spelen voor de eerste keer mogen deelnemen, nu heb je al een ticket voor Rio. Wat is nu het verschil in opbouw tussen beide Spelen?
Ik heb nu al een ticket voor Rio, dus ik weet het nu meer dan een jaar op voorhand. Vorige keer was dat twee of drie maanden op voorhand, en toen was het ook totaal onverwacht. Toen we ons destijds plaatsten op het EK was het echt euforie. We moesten bij de beste zestien landen eindigen en met de 4 x 200 meter vrije slag zaten we vijf honderdsten van de zeventiende tijd, denk ik.
En qua stress en druk?
Ik denk dat ik de vorige keer mezelf wat meer druk oplegde, omdat ik in die ploeg gesmeten werd als vierde man, ik had de vierde snelste tijd van België toen op de 200 meter vrije slag. Ik was eigenlijk blij dat ik mee mocht. Ik wilde dus niet onderdoen voor die andere drie. Die druk van mijzelf was toen wel groter dan dat ik nu mezelf opleg, voorlopig althans, want het is nog wel een eindje tot in Rio. Maar dat gaat wel stilletjes aan groter worden, vrees ik. Het is wel een stuk meer druk van buitenaf nu, van de pers en zo, maar ja, dat is ook wel logisch denk ik.
En is het nog tof?
Donderdag waren we in Lanzarote, en ik heb een stuk of drie, vier interviews moeten geven. Het is niet dat dat mij echt stoort, maar je hebt mensen die daar voldoening uit halen, van ‘oh ja ze volgen mij, nu ga ik nog meer gemotiveerd zijn’. Dat is bij mij niet, het is niet zo dat ik de aandacht van de pers ga opzoeken. Ik heb dat nu gehad en dat is wel eens leuk, maar dat moet niet elke dag zijn, want ik zou gek worden.
En qua trainen?
Dat valt mee. Qua kilometers, trainingskilometers, is het ongeveer hetzelfde als voor de vorige spelen. Nu train ik wel meer vlinderslag, waar ik toen vooral vrije slag trainde. Het is wel wat intensiever, maar het is echt specifieker op die vlinderslag dat we aan het trainen zijn.
Jouw sterkste nummer, de 200 meter vlinder, wat kan je daar nog aan verbeteren?
Mijn start is echt slecht op dit moment. Ik had er wat op getraind omdat ik wist dat dat een werkpunt was, maar ik zit er nu mee in de knoei, dus ik zal nog wat moeten oefenen. Mijn keerpunten, de manier waarop ik draai, dat moet ook op een andere manier gaan gebeuren. Mijn slag op zich zit vrij goed, ik moet vooral nog wat sterker worden om die laatste dertig meter echt mee te kunnen, want dan val ik meestal helemaal dood.
Moet je oppassen voor blessures?
Op de BOIC-stage (Belgisch Olympisch en Interfederaal Comité, red.) in Lanzarote was er een sociale avond, we mochten dan gaan badmintonnen en pingpongen, en nog andere sporten beoefenen. Vorig jaar hebben we daar wel aan meegedaan, maar Charline van Snick, de judoka, had haar voet verzwikt. Dit jaar, doordat het Belgisch Kampioenschap plaats vond in het weekend erop, had onze trainer gezegd dat we er eigenlijk beter niet aan mee zouden doen. Ik heb ook Swimsoccer gespeeld vorig jaar en dit jaar niet. Want ik ben daar echt een week stijf van geweest. Ja, je moet weten wanneer je het mag doen, zo nog eens andere sporten. Maar als zwemmer ben je daar wel heel gevoelig voor omdat je zwakke enkels hebt, zwakke knieën, eigenlijk gewoon zwakke gewrichten.
Je leeft samen in een huis met Lander Hendrickx, Emmanuel Vanluchene en Ken Cortens. Is dat een voordeel of heb je soms iets van ‘ik moet even uit het zwemmen weg’?
Nee, het is wel een voordeel omdat we elkaar nu ook al goed kennen. We zijn met vier en ja, als je het zo een keer wat moeilijker hebt is het wel goed dat je elkaar wat boven water kunt trekken. Er zijn natuurlijk soms wel momenten waarop je zoiets hebt van ‘pff, nu even niet’, maar je kan altijd eens naar je kamer gaan of eens een wandelingetje gaan maken. Het is niet dat je hier echt opgesloten zit, zoals op een internaat ofzo. Je doet nog altijd wat je wil, je gaat slapen wanneer je wil…
Je hebt zes jaar op internaat gezeten, op de topsportschool. Voel je daar nu voordeel van?
Ja, vooral dat mijn rug veel beter geworden is, omdat ik toch wel wat blessures had. Daar heb ik veel oefeningen voor moeten doen, en ik denk dat dat moeilijker was geweest als ik niet op de topsportschool gezeten had. En misschien ben ik ook mentaal wat sterker geworden, om het vol te houden…
Dankjewel Louis!
